maandag 13 december 2010

Wibbel

Voor het Winterfestijn dat op 29 december op onze boerderij zal doorgaan, heb ik een verhaal geschreven dat bij de sfeer past. Het gaat over Wibbel, een klein boerderijkaboutertje dat bij onze mesthoop woont en heel graag Mestkabouter wilt worden als hij groot is. Wibbel was een beetje anders dan de andere kabouters op onze boerderij, want hij was bevriend met de feeën die in de feeënboom op het middenplein wonen. De andere kabouters vonden de feeën vooral vervelende kletskousen en liepen altijd op hen te mopperen... met het gevolg dat alle feeën op een ochtend verdwenen waren. Toen bleek dat de afwezigheid van de feeën ervoor zorgde dat de kinderen op de boerderij niet meer konden lachen!
Een fragment:


Maar de kabouters waren niet de enigen die hadden gemerkt dat de feeën verdwenen waren. Ook de dieren van de boerderij vonden het vreselijk dat de kinderen niet meer konden lachen, en ze misten de feeën heel erg. Daarom werd er op een avond een grote dierenvergadering bijeen geroepen, en alle dieren van de boerderij kwamen samen in de hooischuur om het feeënprobleem te bespreken. Het was een lawaai van jewelste in de hooischuur die avond. De dieren zaten in groepjes bij elkaar en kakelden, mekkerden, hinnikten, blaften en snaterden allemaal door elkaar. Als laatste kwam Fien het varken binnen. Statig stapte ze naar het midden van de stal en ging daar op een strobaal zitten. Onmiddellijk hield het kabaal op, want alle dieren wilden horen wat Fien te knorren had.

“Dieren,” begon Fien, en haar zware stem rolde door de schuur. “Ik heb deze vergadering bijeengeroepen omdat we te maken hebben met een noodsituatie.” 
De dieren knikten ernstig. 
“Zoals jullie al weten, zijn alle feeën van de boerderij verdwenen. Sindsdien kunnen de kinderen hier niet meer lachen! Ik denk dat jullie het met mij eens zijn als ik zeg, dat dit een ramp is. Het is van het uiterste belang dat we nu allemaal de koppen bij elkaar steken om een oplossing te zoeken voor dit probleem. Daarom vraag ik van iedereen de aandacht.” Ze keek even streng naar de kippen die al op hun stok zaten te knikkebollen. 
“Ik denk dat we moeten proberen om de feeën terug te halen.” ging Fien verder. “Heeft er iemand enig idee van waar ze zouden kunnen zijn?”
“Ze kunnen niet heel ver zijn.” hinnikte Darko het paard. “Ze hebben al hun spulletjes meegenomen, ze zijn vast niet ver gevlogen om een nieuwe thuis te vinden.”
“Konden we het maar aan iemand vragen.” zei Patapoef, het hangbuikzwijn. 
Toen keek iedereen naar Nel de geit, die het oudste dier van de boerderij was, en er met haar witte haren en lange sik heel wijs uitzag.
“Mmm,” mekkerde Nel nadenkend. “Ik ken wel een aardmannetje dat onder een paddenstoel woont in het berkenbosje. Dat aardmannetje is stokoud en vreselijk sikkeneurig, maar hij weet alles wat er rondom de boerderij gebeurt. Als de feeën nog in de buurt zijn, dan weet hij het zeker.”
“Laten we het hem dan gaan vragen.” zei Fien.
“Mmm, allemaal goed en wel,” zei Nel de geit, “maar dat betekent… dat één van ons het bos in moet.”

Onmiddellijk barstte er een enorm kabaal los in de schuur. 
De koeien loeiden geschrokken en Noortje de ezel begon luid te balken. Doddy de cavia verstopte zich onder het stro. De duiven volgen allemaal tegelijk op en de kippen fladderden in paniek rond terwijl ze onophoudelijk kakelden: “het bos, het bos, het bos!”
“Stilte!” knorde Fien luid. “Stilte!” 
Uiteindelijk werden de dieren weer rustig.
“Wie van jullie,” vroeg Fien, “durft er het bos in te gaan om het aardmannetje te zoeken?” 
Ze keek naar de honden, maar die schudden tegelijk hun hoofd. “Niet zonder onze baas.” zeiden ze. 
Toen keen Fien naar de paarden, die de grootste dieren van de boerderij zijn. Amber snoof zenuwachtig, maar Safier zei rustig: “Wij kunnen hier niet weg. De mensen rekenen op ons om de huifkar te trekken.”
“Wij moeten melk geven!” zeiden de koeien.
“Wij moeten eieren leggen!” kakelden de kippen.
Ibbeltje het konijn zei heel zachtjes: “Er is toch niémand die het bos indurft!”

Met een zwierige boog sprong toen Romeo, de rosse kater, van een stapel strobalen naar beneden. Uitdagend keek hij de schuur rond. “IK durf alles.” 
De dieren staarden hem ademloos aan.
“Ik ben al vaak het bos in geweest,” ging Romeo verder met fluwelige stem. “Daar jaag ik op muizen… of zelfs op ratten.” zei hij stoer. 
De kuikentjes huiverden en kropen dichter tegen elkaar aan. “Ik wil dat aardmannetje wel gaan zoeken, maar er is wel één probleem. De kleine wezens in het bos zijn bang van mij. Het aardmannetje zal vast nooit naar buiten komen om met mij te praten. Ik zou een kleiner, zachtaardiger dier bij moeten hebben om met hem te gaan praten, een konijn bijvoorbeeld, of een cavia.”
De cavia’s piepten in paniek en ritsten weg onder het stro.
“Ik denk niet dat er vrijwilligers zijn,” knorde Fien geamuseerd.
Een donkergrijs konijn met een dikke baard stapte naar voren. “Als ik even iets mag voorstellen,” bromde hij, “ik vind dat er een kabouter moet meegaan met de kat. Kabouters zien er heel betrouwbaar uit, en bovendien is het hún schuld dat de feeën weg zijn.”
De dieren mompelden instemmend, maar Fien was nog niet overtuigd. “Ik weet niet of je aan een kabouter veel hulp zou hebben.” zei ze. “Onze kabouters hier zijn trots en dom.”
“Excuseer,” ronkte Romeo, “maar ik ken één kabouter die niet zo is.”

Voor het vervolg: kom op 29 december van 15u tot 21u naar ons Winterfestijn!
Kolonie 43, 2323 Wortel.
Behalve verhalen zullen er ook vuurkorven, lichtjes, glühwein, jenever, chocolademelk, wafels, frietjes, muziek, een vuurshow, en activiteiten voor kinderen zijn! Perfect voor een koude winteravond...

zondag 10 oktober 2010

Rewind

Sinds enkele weken schrijf ik voor het studentenblad van de Universiteit Antwerpen: dwars. Ik werk er als redacteur en gelegenheidsjournalist. Elke maand halen we bij dwars herinneringen boven aan een cultureel element uit onze kindertijd (de jaren '90) dat op een bepaalde manier een stempel op onze jeugd gedrukt heeft, of dat op z'n minst een zweempje nostalgia weet op te roepen. Deze keer was ik aan de beurt. Ik besloot te schrijven over jeugdboekenschrijver Marc de Bel, wiens boeken ik vroeger met karrenvrachten tegelijk uit de bibliotheek ging halen. De volgende REWIND is hiervan het resultaat:


Kinderboekenschrijver Marc de Bel heeft intussen maar liefst 120 titels op zijn naam staan. Dat zijn genoeg jeugdboeken om de leef- en leeswereld van heel wat kinderen te doordringen met knoertspannende avonturen, knettercoole ontdekkingen en stiepelgekke uitvindingen. En bovendien een hele hoop grappige neologismen.

REWIND In 1987 scoorde Marc de Bel met zijn eerste jeugdboek, Het ei van Oom Trotter, meteen een grote hit én de Prijs van de Kinder-en Jeugdjury. Dat bracht de bal aan het rollen, en in de daaropvolgende jaren produceerde hij kinder- en jeugdboeken, gevolgd door strips, aan een ongelooflijk tempo. In een mum van tijd werd de Bel de meest gelezen jeugdboekenschrijver van Vlaanderen. Er werd zelfs een fanclub opgericht: de Marc de Belhamelsclub.

PLAY Zo werden er enkele onvergetelijke personages in het leven geroepen, en vanuit hun slaapkamer of luie zetel gingen de lezertjes op schattenjacht met Blinker, of op avontuur met Oom Trotter. Ze haalden streken uit met de zusjes Kriegel, griezelden in Frankenzwein of lachten met de perikelen van de Boeboeks. Fantasie en avontuur staan centraal in de Belverhalen. De grote helden zijn de kinderen, die vaak geterroriseerd worden door een groep pesterige pukkelpubers. De favoriete leeftijd van Marc de Bel is elf jaar. Op die leeftijd was hij immers ooit uit zijn boomhut op zijn hoofd gevallen, en daarom is hij naar eigen zeggen altijd een beetje elf jaar gebleven. Zijn eerste dochter kreeg dan ook de naam Elf.

FAST FORWARD 23 jaar, 120 boeken en 8 Kinder- en Jeugdjuryprijzen later wordt Marc de Bel nog even gretig gelezen door een hele nieuwe generatie kinderen en niet-meer-echt-kinderen. Bovendien bestaan er intussen ook al verschillende theaterbewerkingen van de boeken, evenals enkele verfilmingen. Over die films is de Bel echter niet altijd even tevreden. In een interview vertelde hij me dat hij zich had teruggetrokken uit de medewerking aan de laatste Kriegelfilm, aangezien hij vond dat de (Amerikaanse) producer alle humor uit het verhaal perste om enkel het griezelige over te houden. En dat is jammer, want de verhalen van Marc de Bel zijn niet alleen keutelspannend en vlinderfladderig leuk, maar ook bijzonder slappelachwekkend!